Het ziekenhuisbed zal morgen, dinsdag, worden bezorgd. Vandaag improviseren we met twee matrassen op elkaar een bed in de woonkamer. Ik koop een babyfoon met camera zodat ze ’s nachts niet zonder toezicht is. Dat werkt uitstekend. Ik zie haar twee etages lager liggen en hoor haar ademhalen. Ze hoeft mijn naam maar te noemen of ik ben wakker en kan zelfs op afstand vragen wat er is. Als ik midden in de nacht het volume iets wil verhogen, begint er in de woonkamer een slaapliedje te spelen. Linda kan er om lachen. Zo’n geavanceerde babyfoon hadden wij niet in 1989!
Dinsdagochtend 17 januari meldt Jolanda van de thuiszorg zich voor de intake. Terwijl ze met haar schrijfwerk bezig is, stopt er een vrachtauto van Medipoint voor de deur: Het Bed.
Twee grote mannen, vriendelijk maar, laten we zeggen, niet geschikt voor de balletacademie, brengen een hoop vrieskou mee en beginnen klossend allerlei onderdelen naar binnen te sjouwen. KLING – KLENG – KLONG,  met kabaal wordt het bed opgebouwd. Het is in no time gebeurd.
Met Jolanda spreken we af dat er op maandag-, woensdag- en vrijdagochtend iemand komt om te helpen Linda te verzorgen. Als blijkt dat er vaker en meer hulp nodig is, kan dat snel worden aangepast. Het bed is comfortabel, elektrisch verstelbaar en heeft een zogenaamde papegaai, een handgreep boven haar hoofd waaraan zij zich kan optrekken. Eigenlijk meer de zitstok dan de papegaai dus.
Het lukt Linda niet meer zelf op te staan van haar stoel of haar bed. Haar onder haar oksels tillen is pijnlijk. De eenvoudigste methode blijkt te zijn dat ze haar handen om mijn nek legt en dat ik haar zo overeind help.
Woensdag 18 januari belt ’s morgens een hijgende huisarts. Hij is lopend op weg naar zijn nascholing. Hij heeft iedereen in de groepspraktijk op de hoogte gebracht, dus ik kan gewoon bellen als dat nodig is. Ook heeft hij nagedacht over wat hij nog voor Linda kan doen. Het kan zijn dat door de dexamethason er te weinig kalium in haar bloed zit en dat zij daardoor verward raakt. Hij heeft al iemand besteld om bloed af te nemen.
Tja, wéér prikken, verdorie. Maar ja, als het moet dan moet het.
Inderdaad belt er even later een mevrouw met een soort grote koelbox aan. Eén minuut later gaat weer de bel. De oudere collega van de huisarts – die Linda en ik goed kennen en die zelfs vóór ons in dit huis heeft gewoond – meldt zich.
Ik leg hem uit wat de mevrouw met de koelbox komt doen. ‘Dat gaan we niet doen’ zegt hij resoluut. Dat heeft geen zin.’ De stuwband gaat weer los en de mevrouw vertrekt onverrichter zake. ‘Als we iets aan een te laag kaliumgehalte zouden willen doen’, legt hij uit, ‘dan moet ze aan het infuus of heel veel Cup-a-Soup gaan drinken. Dat moeten we haar niet meer aandoen.’
Hij gaat naast Linda zitten. ‘Hé, Peer!’ zegt ze. ‘Herken je Peer?’ Vraag ik.  ‘Ja natuurlijk, ik ben niet blind!’
Peer praat vriendelijk met ons. Hij windt er geen doekjes om. Er zijn geen behandelopties meer. Hij denkt aan weken, niet aan maanden. Hij raadt ons aan niet meer te proberen haar voldoende voedsel te laten drinken. ‘Niets hoeft meer Linda, niets moet.’ ‘Geef haar wat ze vraagt, maar dring niet aan. Het belangrijkste is dat ze pijnvrij en comfortabel is. Daar bestaan voldoende middelen voor’.
Dat ze niets meer hoeft, is een opluchting voor Linda. Eindelijk van die vreselijke Nutridrink af. Euthanasie komt ter sprake. De arts zal een voorbeeld van een wilsbeschikking sturen. Hij legt uit dat het tekenen van zo’n beschikking geen beslissing tot euthanasie is. Alleen dat als  euthanasie later wenselijk zou zijn, dat onmogelijk is zonder deze verklaring die zij bij haar volle verstand moet hebben getekend. Peer vertrekt en belooft vrijdag weer langs te komen.
Linda komt de dag door op twee tuitbekers yoghurt en veel ijswater.
Ik doe Jeroen in Brussel verslag en vraag hem morgen naar huis te komen.
’s Middags hebben wij nog een afspraak bij de oncoloog staan. Deze kijkt verwonderd als ik alleen blijk te zijn. Ik leg hem uit dat Linda niet meer in staat is naar het ziekenhuis te komen.
Na mijn relaas over de afgelopen week,  verbaast ook hij zich erover dat het zich allemaal zo veel sneller ontwikkelt dan was voorzien. In mijn telefoon staat de volgende afspraak met hem op 1 maart. Kun je nagaan.
We spreken nog wat over de medicijnen. Morgen hebben we eigenlijk ook nog een afspraak bij de neuroloog vanwege die oogzenuwtheorie van de oogarts een week geleden. De oncoloog zal die afspraak annuleren.
Donderdagochtend 19 januari belt men van de poli neurologie. De neuroloog wil mij toch graag spreken, desnoods telefonisch. Dit soort gesprekken voer ik liever onder vier ogen. Ik beloof dat ik op de oorspronkelijke afspraak zal verschijnen.
Het is een vriendelijk gesprek maar ik hoor niets nieuws. Ook hij is van mening dat de ontwikkelingen erg snel gaan. Ik heb het gevoel dat dit gesprek dient om het dossier te kunnen sluiten. Hij neemt de tijd. Het is misschien wel zo zorgvuldig.
Als ik thuiskom stopt net de postbode een stapeltje kaarten in de bus. ‘Is Linda jarig?’ vraagt ze vrolijk. ‘Hoe ken jij Linda dan?, vraag ik. ‘Nou, van de wereldwinkel, daar breng ik ook post en dan klets ik wel eens wat met haar. Daarom weet ik dat ze hier woont.’ ‘Nee, ze is heel erg ziek.’ Ze bloost van schrik en slaat haar hand aan haar mond. ‘Oh sorry, dat wist ik niet.’
‘Nee, dat kun je ook niet weten, dus je hoeft helemaal geen sorry te zeggen.’
‘Kan ik even binnenkomen om haar beterschap te wensen?’
‘Nee, dat is niet zo’n goed idee.’
‘Doe haar dan de groeten van Gea.’ Dat beloof ik.
’s Avonds ligt er een cadeautje in de brievenbus met een kaartje ‘Van harte beterschap, Gea’. Linda herkent het dichtbundeltje ‘Troost… is wat ik je wens’ dat in de wereldwinkel wordt verkocht. Lief van postbode Gea.
Ook deze nacht verloopt betrekkelijk rustig. Eén keer spugen en één keer naar de wc.
Het is fijn dat Linda nog steeds goed aanspreekbaar is – de afwezigheid van zondag heeft zich tot op heden deze week niet meer voorgedaan – , dat ze geen pijn heeft en dat haar nachten rustig zijn. Maar hemeltjelief, wat is ze dun en breekbaar geworden.
Vrijdag 20 januari is de tweede dag dat thuiszorg langskomt. Linda vindt het gedoe om in bed gewassen te worden en geeft er de voorkeur aan in de keuken bij de gootsteen te wassen; de badkamer is onbereikbaar op de eerste etage.  Ik zet van tevoren de oven aan en de ovendeur open om de keuken op een voor haar behaaglijke temperatuur te krijgen.
Linda zit net in haar stoel als huisarts Peer weer aanbelt. Hij gaat naast haar zitten en vraagt hoe het met haar gaat. Zoals ze al enkele dagen eerder tegen mij heeft gezegd, zegt ze dat ze er eigenlijk geen zin meer in heeft, dat ze het wel genoeg vindt zo en dat ze er klaar mee is. Er is geen hoop. Alleen maar ongemak.
Op Linda’s verzoek legt de huisarts uit hoe sedatie in z’n werk gaat.
Als hij is vertrokken, bespreek ik met Linda dat het tijd wordt afscheid te nemen van mensen van wie ze in persoon afscheid wil nemen nu ze daartoe nog in staat is. Ze ziet op tegen bezoek maar is het toch met mij eens. Omdat ik denk dat ik het niet droog houd als ik bel, app ik haar enige broer, haar enige tante – die haar als een dochter beschouwt – en haar drie nichten met de vraag of ze langs willen komen om afscheid te nemen. De nichten en tante komen in twee duo’s op zaterdag en zondag. Broer Paul komt meteen.
Tim, Jeroen, Hanne en ik laten broer en zus alleen.

Plaats een reactie

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag